‘Je bent een van de spelers in het elftal tegen de georganiseerde criminaliteit’

Burgemeester van Breda, Paul Depla

INTERVIEW

DOOR LAURA WENNEKES BEELD PAUL DEPLA

Burgemeesters staan volop in de spotlights als het gaat om de aanpak van ondermijning. Ze worden steeds meer gezien als crimefighter, hebben ruimere sluitingsbevoegdheden voor drugspanden en te maken met bedreigingen door criminelen. Maar die hoofdrol komt volgens Paul Depla, burgemeester van Breda, niet overeen met de werkelijkheid. ‘De burgemeester is een van de spelers in het elftal, met een specifieke taak.’

Het is volgens Depla terecht dat er zoveel steun is voor bedreigde burgemeesters, onder meer met de Machiavelliprijs. ‘Maar let op, het overkomt niet alleen burgemeesters,’ zegt hij, ‘sterker nog er zijn heel veel mensen met een publieke taak in de strijd tegen ondermijning die worden bedreigd. De prijs is voor iedereen die meewerkt en met bedreiging te maken heeft, niet exclusief voor burgemeesters.’


Crimefighter

De rol van crimefighter die burgemeesters steeds meer toegedicht krijgen klopt in de ogen van Depla niet. ‘Crimefighter suggereert dat je achter personen aanjaagt, dat is niet wat we als burgemeesters doen,’ vertelt Depla. ‘De burgemeester heeft zijn rol in het geheel, als een van de spelers in het elftal van de georganiseerde overheid tegen de georganiseerde criminaliteit. Iedere speler heeft zijn eigen door de wetgever aan ons gegeven taken in het team en werkt daarin samen. Politie en het Openbaar Ministerie pakken de personen aan, Belastingdienst en FIOD de geldstromen en wij als gemeenten de vestiging. Wij hebben de bestuursrechtelijke instrumenten om panden en locaties te sluiten of te voorkomen dat een crimineel bedrijf zich vestigt in de gemeente door geen vergunning af te geven. Plat gezegd: als er geen fabriekshallen zijn dan is er geen productie en wordt het voor de criminele industrie heel moeilijk.’


Verruimde sluitingsbevoegdheid

De verruimde sluitingsbevoegdheid van burgemeesters geeft sinds 1 januari de mogelijkheid om ook panden te sluiten als voorwerpen of stoffen worden aangetroffen die duidelijk bestemd zijn voor het telen of bereiden van drugs. Voorheen mocht dat alleen als er daadwerkelijk drugs aanwezig was. Hierover zegt Depla: ‘Het helpt. Het hebben van bepaalde grondstoffen in huis is niet illegaal, maar als je ziet dat het gebruikt wordt voor de productie van drugs is het handig als je ook die bewijslast hebt. Het hebben van een tafelpoot is ook niet verboden, maar als ik hem van de tafel afdraai en ermee ga meppen wordt het een wapen. Dus ja het kan helpen, maar het hebben van de maatregelen betekent niet dat je moet stoppen met nadenken over hoe je de maatregelen inzet.’ Daarbij doelt hij vooral op woningen. ‘Je wilt dat mensen uit criminele netwerk komen, maar door sluiting kunnen ze juist meer het netwerk in gedreven worden. Wie vangt ze op als ik ze uitzet? Zijn dat criminelen? Dus het is niet altijd de beste weg. Het doel is om de samenleving weerbaarder te maken tegen criminele invloed en normalisering te voorkomen. Belangrijk is daarin hoe geloofwaardig je bent als overheid. Daarom ben ik ook voorstander van het afpakken van geld uit de criminele industrie en dat teruggeven aan de samenleving, net als bij de maffiawet in Italië.’

Naaien ons eigen naad

Breda heeft als een van vijf grote Brabantse steden veel te maken met (drugs)criminaliteit. Van oudsher is Brabant volgens Depla door de ligging en omstandigheden aantrekkelijk voor de criminele industrie. ‘Je hebt naast de gewone economie, de criminele economie.’ Daarom is Brabant een van de koplopers in de strijd tegen ondermijning. ‘De kwetsbaarheden waar criminelen gebruik van maken en ondermijning zijn er in heel Nederland. Het is ook een kwestie van “als je ernaar kijkt zie je het”. Hoe meer aandacht er voor is, hoe meer er bovenkomt. Ik denk dat wij het in Brabant wel veel meer benaderen als criminele industrie en het aanpakken en doorgronden daarvan, dan vanuit de klassieke criminaliteitsaanpak. Daar gaat het meer om het pakken van de kopstukken. Dat is maar één onderdeeltje in het verstoren van de industrie. De bedrijfstak draait door als de crimineel in de gevangenis zit, maar hoe maak je de voedingsbodem minder vruchtbaar? Als het bedrijf tegen een faillissement aanzit, zoals door het sluiten van locaties en zorgen dat voorzieningen niet misbruikt kunnen worden, dan pak je ze. Dat is waar we als Brabant een bijzondere aanpak hebben onder meer in de Taskforce Brabant-Zeeland. We trekken ons eigen plan, dat zit verankerd in de Brabantse cultuur. Ook op dit gebied naaien we ons eigen naad,’ verklaart Depla.

“Het hebben van maatregelen betekent niet dat je moet stoppen met nadenken over hoe je ze inzet”

Brabantse aanpak

Paul Depla zal als spreker op de Dag van de Ondermijning meer vertellen over ‘de Brabantse aanpak’. De dag staat dit jaar in het teken van de aanpak van criminele markten en geld. Daarbij draait het volgens Depla niet alleen om witwassen. ‘Dat zit in het hele criminele proces aan het eind. Het gaat om het ontleden van het hele bedrijfsproces – logistiek, personeel, hulpjes, locaties, wat zijn de kwetsbaarheden? Kijk niet als crimineel, maar als bedrijfseconoom, dan kom je verder.’

Inzicht en analyse

De Bredase burgemeester denkt dat de zogeheten ondermijningswetgeving en het ondermijningsfonds vanuit het Rijk ‘ongetwijfeld zullen bijdragen’ aan de aanpak van ondermijning. Maar volgens hem is vooral inzicht in de criminele industrie belangrijk. ‘Die ontwikkelt zich voortdurend, net zo snel als normale industrie. Je hebt eigenlijk een soort trendwatcher nodig die er dicht op zit en zich richt op informatiedeling, nieuwe werkwijzen en het ontdekken van nieuwe patronen. Ze zullen steeds nieuwe vormen bedenken om onder de radar te blijven. Nu richten we ons op de kapperszaken, nagel- en zonnebankstudio’s en dat soort branches, maar wat zijn de zonnestudio’s van morgen? Als wij drie keer heel hard roepen dat we die branches aanpakken gaan criminelen ook een andere lijn zoeken.’


Om inzicht te krijgen in die criminele industrie gebruikt Breda als eerste gemeente een Veiligheidsinformatieknooppunt (VIK). Het VIK combineert en analyseert data uit basisregistraties. ‘Zo kun je patronen en netwerken ontdekken, bijvoorbeeld in PGB-fraude,’ licht Depla toe. ‘Of als één persoon in het bezit is van 400 panden en je die koppelt aan adressen van invallen of hennepruimingen. Als je ziet dat zijn of haar locaties daar vaak bij betrokken zijn helpt dat om gesprek met die persoon aan te gaan. Voorheen was er veel meer tijd nodig voor analyses en bracht je de werkelijkheid van een jaar eerder in kaart, met VIK kun je veel sneller schakelen op gegevens van nu.’


Stadsmarinier

Verder zet Breda een zogeheten stadsmarinier in die zich specifiek richt op ondermijningscasussen, als een soort casemanager. Depla: ‘Als eenheid ben je in het programma ondermijning bezig met het verstoren van criminele verdienmodellen in districten en stuurgroepen, in gemeenten heb je ook weer lokale casussen om aan te pakken.’ De stadsmarinier signaleert en staat in verbinding met politie, belastingdienst en andere betrokken partijen en bereid interventies voor. Zoals toezicht- en handhavingsacties vanuit gemeente, of zaken die doorgezet worden naar de politie. De inzet van de stadsmarinier ondermijning werkt goed en wordt binnenkort uitgebreid naar een tweede functionaris. ‘Het heeft zeker effect, als je erop gaat letten zie je heel veel dingen en haalt meer casussen op. De aanpak van ondermijning is in het gemeentelijk veiligheidsbeleid van Breda dé prioriteit, dus moet je er ook meer capaciteit op inzetten en zorgen dat het niet onder de radar blijft,’ concludeert de burgemeester.